Uitspraak
Europese regelgeving
Nationale regelgeving
Beleidsregels Svb
Standpunt van partijen
Centrale Raad van Beroep
De Centrale Raad van Beroep behandelt een geschil tussen de Sociale Verzekeringsbank (Svb) en twee betrokkenen met de nationaliteit van derde landen die werkzaam zijn bij een in Nederland gevestigde werkgever en tijdelijk in verschillende EU-lidstaten werken. De Svb weigerde A1-verklaringen af te geven voor deze werknemers over de laatste weken van het seizoen 2015/2016, omdat zij van mening was dat deze niet onder de sociale zekerheidsverordeningen vielen.
De Raad overweegt dat hoewel de betrokkenen niet onder de personele werkingssfeer van Verordening 883/2004 vallen, Verordening 1231/2010 deze werkingssfeer onder voorwaarden uitbreidt tot derdelanders die legaal verblijven en zich binnen de EU verplaatsen. Er bestaat onduidelijkheid over de interpretatie van 'verblijven' in artikel 1 van Pro deze verordening, mede door verschillen in taalversies.
De Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en administratieve vereenvoudiging voor deze werknemers en wijst op Europese regelgeving die streeft naar een meer gelijke behandeling van derdelanders die legaal binnen de Unie verblijven. Daarom legt de Raad de prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om duidelijkheid te verkrijgen over de toepasselijkheid van de sociale zekerheidsverordeningen in deze situatie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep legt prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie EU en schorst de zaak totdat het Hof uitspraak doet.