ECLI:NL:CRVB:2017:2928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht kinderbijslag na verblijfsvergunning
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn drie kinderen, met een verblijfsvergunning die met terugwerkende kracht werd verleend vanaf 2007. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het vierde kwartaal van 2013 of 2014, met terugwerkende kracht tot vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
Appellant voerde aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder een langdurige vreemdelingenrechtelijke procedure en eerdere bezoeken aan de Svb, een langere terugwerkende kracht rechtvaardigen. Hij stelde dat hij vanaf 2007 recht had op kinderbijslag zonder aanvraag en verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Raad oordeelde dat het beleid van de Svb, dat terugwerkende kracht beperkt tot vijf jaar tenzij een daad van veiligstellen eerder plaatsvond, rechtmatig is. Appellant bracht geen bewijs dat hij vóór het vierde kwartaal 2009 een aanspraak kenbaar had gemaakt. Ook het feit dat prejudiciële vragen waren gesteld in de vreemdelingenprocedure vormt geen bijzondere omstandigheid.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het bestreden besluit van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de rechtbank bevestigd.