ECLI:NL:CRVB:2017:2935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak op eenmalige bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld
Appellant, een gewezen militair met een psychische aandoening van traumatische aard, ontvangt een militair invaliditeitspensioen met een vastgestelde mate van invaliditeit van 20% sinds 1 oktober 2013. De minister van Defensie kende hem op grond van de Regeling Ereschuld een eenmalige bijzondere uitkering toe, berekend naar zijn invaliditeitspercentage.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de beoordeling van de aanspraak op de bijzondere uitkering een administratieve beoordeling is, waarbij geen eigenstandig medisch onderzoek plaatsvindt. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet medisch vastgesteld en het is niet aan de minister om dit alsnog te doen.
De Raad oordeelt dat het ontbreken van een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid geen onredelijke uitkomst oplevert en dat de minister terecht de uitkering heeft toegekend op basis van de mate van invaliditeit met dienstverband. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijzondere uitkering op basis van de mate van invaliditeit bevestigd.