Appellante heeft op 4 september 2012 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Een verzekeringsarts concludeerde in november 2012 dat participatie toen niet haalbaar was vanwege haar psychische problematiek, maar stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast. Een arbeidsdeskundige bevestigde in januari 2013 dat appellante niet in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv kende haar op grond hiervan een Wajong-uitkering toe per 18 april 2013.
In juli 2014 vond een herbeoordeling plaats vanwege onvoldoende nakoming van afspraken en toegenomen klachten. Een arts concludeerde dat de medische situatie en belastbaarheid niet waren gewijzigd ten opzichte van 2012, en stelde een identieke FML vast. Het Uwv besloot daarop de uitkering ongewijzigd te laten. Appellante maakte bezwaar en overhandigde een psychodiagnostisch verslag, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante haar stellingen over meer beperkingen niet met objectiveerbare medische stukken had onderbouwd. In hoger beroep herhaalde appellante dat zij meer beperkingen heeft en niet kan werken, ook niet op termijn.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de eerdere conclusies dat de medische situatie ongewijzigd is en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De gronden in hoger beroep leiden niet tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.