Uitspraak
OVERWEGINGEN
28 januari, 15 februari en 18 februari 2016 ten grondslag gelegd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker, die sinds 1995 een zelfstandige onderneming exploiteert, heeft meerdere malen een WAZ-uitkering aangevraagd. Na eerdere afwijzingen door het UWV en het niet-ontvankelijk verklaren van bezwaar, werd zijn aanvraag in 2015 opnieuw afgewezen omdat de WAZ sinds 2004 is afgeschaft en hij niet voldeed aan de voorwaarden.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond. Verzoeker stelde in hoger beroep dat zijn arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 29 april 2000 was toegenomen en verzocht om een voorlopige voorziening om maandelijks een voorschot op de uitkering te ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een spoedeisend financieel belang. Hoewel verzoeker stelde in financiële nood te verkeren, had hij niet onderbouwd dat hij geen recht had op een Participatiewet-uitkering. De afgewezen aanvraag bij de gemeente was niet op inhoudelijke gronden geweigerd, waardoor hij nog een mogelijkheid tot uitkering had.
Daarom was er geen reden om de voorlopige voorziening toe te kennen en kon de hoofdzaak worden afgewacht. Het verzoek werd afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend financieel belang.