ECLI:NL:CRVB:2017:3049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere vaststelling en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verantwoordingsplicht
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg in 2012, maar heeft niet voldaan aan de verantwoordingsverplichtingen zoals voorgeschreven in de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Het Zorgkantoor stelde het pgb lager vast en vorderde het niet verantwoordde bedrag terug. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was tot deze maatregelen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de administratie van het pgb was uitbesteed aan een derde en dat zij door psychische klachten niet in staat was zelf toezicht te houden. Ook stelde zij dat uit de verantwoordingsstukken bleek dat het pgb correct was besteed. De Raad oordeelde echter dat de verantwoordelijkheid voor correcte verantwoording bij de verzekerde ligt, ook als het beheer is uitbesteed. De stukken boden onvoldoende bewijs dat het pgb daadwerkelijk aan zorg was besteed.
De Raad bevestigde dat het Zorgkantoor op grond van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd was tot lagere vaststelling en terugvordering en dat het Zorgkantoor een evenredige belangenafweging heeft gemaakt. Ook de financiële gevolgen voor appellante rechtvaardigen niet dat het Zorgkantoor niet tot terugvordering mocht overgaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere vaststelling en terugvordering van het pgb worden bevestigd.