Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:312

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
27 januari 2017
Zaaknummer
14/6788 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder e, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen hennepkwekerij en herziening toeslag

Appellante ontving sinds 2009 bijstand en werd in 2013 onderzocht vanwege een vermoeden van onrechtmatigheid. Uit het onderzoek bleek dat zij een hennepkwekerij in haar woning had tussen juli en november 2011, wat zij niet had gemeld aan het college. Hierdoor werd de bijstand over die periode ingetrokken en teruggevorderd.

Daarnaast werd de toeslag over de periode augustus 2012 tot maart 2013 verlaagd omdat appellante op een postadres stond ingeschreven, terwijl zij woonkosten deelde. Appellante voerde aan dat zij haar adreswijziging tijdig had doorgegeven, maar dit was onvoldoende om het college tot actie te dwingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat de bewijsvoering onvoldoende was om het recht op bijstand vast te stellen. Ook werd het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijzigt de toeslag niet; het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

14.6788 WWB

Datum uitspraak: 17 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
19 november 2014, 13/1171 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. Namens appellante is
mr. Van Dijk verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 16 september 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.
1.2.
Naar aanleiding van een bestandsvergelijking met de Belastingdienst, waaruit bleek dat appellante over het jaar 2011 over vermogen beschikte, heeft een fraudecontroleur van de Dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen (Dienst) een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben fraudecontroleurs van de Dienst op 19 maart 2013 een gesprek met appellante gevoerd. Daarbij is ook gesproken over het feit dat appellante sinds 6 augustus 2012 staat ingeschreven op een niet door de Dienst erkend postadres aan het [adres A] in [woonplaats] in plaats van op een woonadres waar zij feitelijk haar hoofdverblijf heeft. De fraudecontroleurs hebben appellante twee weken de tijd gegeven om zich alsnog op een woonadres in te schrijven. Bij het vervolggesprek op 4 april 2013 is gebleken dat appellante uit haar vorige woning aan de [adres B] in [woonplaats] is gezet omdat zich daar een hennepkwekerij bevond. Uit het bij de politie opgevraagde proces-verbaal van verhoor van 23 november 2011 blijkt dat appellante vanaf eind juli/begin augustus 2011 tot 23 november 2011 een hennepkwekerij in haar woning heeft gehad. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport Fraude Controle van 25 april 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
17 mei 2013 (besluit 1) de bijstand over de periode van 1 augustus 2011 tot en met
22 november 2011 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.018,63 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van de hennepkwekerij in haar woning. Omdat niet bekend is welke inkomsten appellante met het kweken van hennep heeft verkregen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.4.
Bij besluit van eveneens 17 mei 2013 (besluit 2) heeft het college de hoogte van de toeslag over de periode van 6 augustus 2012 tot en met 31 maart 2013 herzien van 20% naar 12%, omdat appellante in die periode op een postadres stond ingeschreven en haar woonkosten kon delen met een ander. Het college heeft de over de genoemde periode te veel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 768,89 van appellante teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Hennepkwekerij
4.1.
Niet in geschil is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de hennepkwekerij in haar woning. Appellante heeft aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, omdat zij geen inkomsten heeft verkregen uit de hennepkwekerij. De eerste oogst is mislukt en de tweede oogst heeft niet plaatsgevonden door de ontmanteling van de kwekerij. Deze beroepsgrond slaagt niet. De stelling dat zij met de hennepteelt niets heeft verdiend, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Appellant heeft van de inkomsten noch van de investeringen in en de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie bijgehouden. Dit komt voor risico en rekening van appellante.
Herziening toeslag
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat zij al in juli 2012 bij de balie aan [adres C] te [woonplaats] heeft doorgeven dat zij een postadres is gaan houden aan het [adres A]. Het college heeft dan ook een signaal ontvangen als bedoeld in de zogeheten zesmaandenjurisprudentie.
4.3.
Het college heeft de bijstand van appellante over de periode 6 augustus 2012 tot en met 31 maart 2013 teruggevorderd op grond van de bevoegdheid als neergelegd in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de WWB. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van
24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in de tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan.
4.4.
Niet in geschil is dat appellante haar adreswijziging in juli 2012 aan de balie voor publiekszaken aan [adres C] heeft doorgegeven. Deze melding is echter onvoldoende bepalend voor het college om daaruit te kunnen afleiden dat sprake is van een relevante wijziging die van invloed is of kan zijn op de bijstandsverlening aan appellante en op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Daarbij is mede van belang dat appellante haar adreswijziging aan de afdeling burgerzaken van de gemeente heeft doorgegeven en niet aan de Dienst. Dat appellante de adreswijziging ook aan haar contactpersoon bij de Dienst heeft doorgegeven, heeft zij niet met objectieve gegevens aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellante zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en H.P. Venema en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2017.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) A.M. Pasmans

HD