ECLI:NL:CRVB:2017:313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering na geschil over medische grondslag en geschiktheid functies
Appellant, laatstelijk werkzaam als [naam functie], meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts en psychiater Cohen onderzochten hem en concludeerden dat er sprake was van lichte beperkingen, met name in sociaal functioneren en omgaan met emoties, wat leidde tot een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Op basis van deze FML stelde een arbeidsdeskundige vast dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel voor andere functies met een verlies aan verdiencapaciteit van 43,22%. Het UWV kende hem daarop een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de FML juist. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij leed aan een ernstige depressie, wat volgens hem een nieuw deskundigenonderzoek rechtvaardigde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de medische gronden afdoende had gemotiveerd en dat geen nieuwe medische informatie was aangevoerd. De Raad bevestigde dat de functies medisch geschikt zijn en dat het hoger beroep niet slaagt. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van de WGA-uitkering wordt bevestigd.