ECLI:NL:CRVB:2017:315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- E.C.R. Schut
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Onterechte afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermeende weigering re-integratie
Appellant vroeg op 28 februari 2014 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland wees deze aanvraag op 11 april 2014 af op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, WWB, omdat appellant zou weigeren mee te werken aan re-integratie.
Na bezwaar en een nadere beslissing bleef het college bij de afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college ten onrechte had geoordeeld dat hij ondubbelzinnig niet wilde meewerken aan de verplichtingen uit de WWB.
De Raad oordeelde dat het college slechts stelde dat appellant weigerde een aanvullende arbeidsbemiddeling te accepteren naast zijn leerwerkplaats, maar dat dit niet ondubbelzinnig aantoont dat appellant niet wilde meewerken aan arbeidsinschakeling. Daarom was de afwijzing onterecht. De Raad vernietigde het bestreden besluit, het nadere besluit en het oorspronkelijke besluit van 11 april 2014, en bepaalde dat het college opnieuw op de aanvraag moet beslissen. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag is vernietigd en het college moet opnieuw beslissen.