ECLI:NL:CRVB:2017:3165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen opschorting, intrekking en terugvordering bijstand dakloze
Appellant ontving bijstand naar de norm voor een dakloze in Amsterdam. Na verhuizing naar een andere gemeente en een detentieperiode werd de bijstand door het college geschorst en later ingetrokken, omdat appellant zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam zou hebben. Tevens werd een bedrag aan bijstandkosten teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen de opschorting en intrekking, en stelde in hoger beroep dat hij wel belang had bij beoordeling van de opschorting en dat zijn financiële situatie een dringende reden vormde om terugvordering te voorkomen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de opschorting niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen intrekking en terugvordering af.
De Raad oordeelt dat appellant wel belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van de opschorting en vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring. De inhoudelijke beoordeling leidt tot de conclusie dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn ontslag uit detentie en dat de opschorting terecht was. De intrekking van bijstand wordt bevestigd omdat appellant sinds september 2014 een kamer huurt buiten Amsterdam en dus niet als zwervende dakloze kan worden aangemerkt. De terugvordering wordt bevestigd omdat de financiële omstandigheden van appellant geen dringende reden vormen om hiervan af te zien.
De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten in het hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is openbaar gedaan op 12 september 2017 door rechter W.F. Claessens.
Uitkomst: Het beroep tegen opschorting wordt ongegrond verklaard, de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.