ECLI:NL:CRVB:2017:3182
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerkster thuiszorg, meldde zich ziek wegens lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende medische motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellante de voorbeeldfuncties kon vervullen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren en voerde aan dat haar beperkingen onderschat waren, ondersteund door een medisch verslag van haar huisarts. Het UWV verdedigde het besluit en vroeg bevestiging van de uitspraak.
De Raad stelde vast dat de belastbaarheid van appellante juist was vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) na uitgebreid medisch onderzoek door verzekeringsartsen en betrokken specialisten. De beperkingen waren adequaat onderbouwd en de voorbeeldfuncties waren passend.
De door appellante ingediende medische informatie bood geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep voor zover het de rechtsgevolgen betrof.
De uitspraak werd gedaan door A.I. van der Kris, en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.