ECLI:NL:CRVB:2017:3208

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 september 2017
Publicatiedatum
18 september 2017
Zaaknummer
16/7125 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbHoofdstuk 1, artikel 1 bijlage 2 AwbWet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen bestuursrechtelijke premie

Appellant werd door het CAK aangemeld als wanbetaler en kreeg een bestuursrechtelijke premie opgelegd. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, stellende dat bezwaar en beroep tegen de verschuldigdheid en hoogte van de premie niet mogelijk zijn.

In hoger beroep betwistte appellant dit oordeel, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. De Raad bevestigde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht en de Bevoegdheidsregeling Bestuursprocesrecht geen bezwaar en beroep openstaat tegen de bestuursrechtelijke premie.

De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak. Hiermee is duidelijk dat de bestuursrechterlijke premie niet via bezwaar en beroep kan worden aangevochten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de bestuursrechtelijke premie wordt bevestigd.

Uitspraak

16/7125 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
8 november 2016, 16/2586 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

Datum uitspraak: 6 september 2017
PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze, gelet op de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK (Stb. 2016, 173), de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Namens appellant heeft [naam A] tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 25 november 2014 heeft CAK aan appellant bericht dat hij door zijn zorgverzekeraar Menzis Zorgverzekeraar N.V. is aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zvw. Daarom is hij vanaf december 2014 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd van
€ 143,98 per maand.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 3 maart 2015 heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Midden-Nederland bij uitspraak van 15 juni 2016 (15/2112), ongegrond verklaard.
1.4.
In december 2015 heeft CAK appellant geïnformeerd over de wijziging van het bedrag van de bestuursrechtelijke premie per 1 januari 2016.
1.5.
Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit) niet ontvankelijk verklaard omdat op grond van artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en hoofdstuk 1, artikel 1, van bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling Bestuursprocesrecht) van de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk is tegen de verschuldigdheid en/of hoogte van de bestuursrechtelijke premie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 6 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1304) en van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2716) heeft de rechtbank geoordeeld dat tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie en de aanmelding als wanbetaler geen bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open staat.
3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust.
4.2.
Hetgeen appellant in deze zaak overigens heeft aangevoerd, treft geen doel.
4.3.
Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) N. Veenstra

AB