ECLI:NL:CRVB:2017:3214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loonaanvullende WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds oktober 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2013 werd de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 61%, zonder directe gevolgen voor de uitkering. Vervolgens stelde het UWV bij besluit van 8 juli 2014 de beëindiging van de loonaanvullende WGA-uitkering vast per 25 augustus 2014, omdat de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 35%.
Appellante maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat sprake was van verboden reformatio in peius en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante medisch geschikt was voor de geselecteerde functies.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat geen sprake was van verboden reformatio in peius omdat de beëindiging van de uitkering tijdig was aangekondigd en appellante gelegenheid had gehad haar zienswijze te geven. De medische beoordeling was juist en zorgvuldig, waarbij rekening was gehouden met beperkingen door ADD en pijnklachten. De Raad hechtte geen doorslaggevende waarde aan de stelling van de arbeidsdeskundige dat appellante niet geschikt zou zijn voor de arbeidsmarkt.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de loonaanvullende WGA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.