Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
M.A.H. van Dalen-Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2017.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Duitsland met een postadres in Oostenrijk, ontving een AOW-pensioen met toeslag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) bracht een korting toe op de toeslag vanwege niet-verzekerde jaren van appellant en diens partner. De discussie betrof de wijze waarop de lijfrente-uitkering van de partner, afkomstig van de Rheinische Versorgungskassen (RZVK) in Duitsland, op de toeslag in mindering werd gebracht.
De rechtbank had geoordeeld dat de lijfrente-uitkering correct was verwerkt. Appellant voerde hoger beroep aan omdat de toeslag pro rata berekend zou moeten worden, terwijl de Duitse lijfrente volledig werd afgetrokken. De Raad oordeelde dat de toeslag op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 niet pro rata hoeft te worden berekend als de autonome berekening volgens nationale wetgeving hoger uitvalt, wat hier het geval was.
De Svb had de Duitse lijfrente eerst volledig van de maximale toeslag afgetrokken en daarna een korting van 42% toegepast vanwege niet-verzekerde tijdvakken van de partner. Dit leidde tot een naar rato berekening van de in mindering gebrachte lijfrente. De Raad stelde vast dat hiermee voldaan is aan de voorwaarden van de verordening en dat de nationale regels correct zijn toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toeslag op het AOW-pensioen correct is berekend en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.