Uitspraak
OVERWEGINGEN
25 juni 2015 afdoende toegelicht.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als schoonmaker/werkloze voorman, ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 59,9%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 1 februari 2013 en stelde een vervolguitkering vast op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Na bezwaar en beroep werd de uitkering uiteindelijk beëindigd per 27 juni 2013 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, met name psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank stelde echter vast dat de medische rapporten zorgvuldig en volledig waren en dat er geen aanleiding was om aan de juistheid te twijfelen. In hoger beroep overwoog de Raad dat een door de Raad ingeschakelde onafhankelijke psychiater een gedegen en consistent rapport had opgesteld dat de diagnose aanpassingsstoornis met angst en depressie bevestigde en de eerdere diagnoses van paniekstoornis en depressie nuanceerde.
De Raad concludeerde dat de medische grondslag van het UWV-besluit toereikend was en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.