ECLI:NL:CRVB:2017:3299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende aannemelijkheid bijstandbehoevendheid
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat zij tot februari 2012 een WW-uitkering ontving. Het college wees de aanvraag af omdat het vermogen van appellante boven het vrij te laten bedrag lag en zij onvoldoende aannemelijk maakte dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Appellante verklaarde dat zij sinds 2012 in haar levensonderhoud voorzag door prostitutie en geldleningen van vrienden en familie, maar kon dit niet met controleerbare bewijsstukken onderbouwen. Het college vroeg om bankafschriften en verklaringen over de wijze van levensonderhoud, maar appellante leverde geen voldoende verifieerbare gegevens aan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het niet aannemelijk maken van bijstandbehoevendheid een geldige grond is voor afwijzing. Ook de terugvordering van voorschotten en de kostenvergoeding werden door de Raad als terecht beoordeeld.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid en het hoger beroep wordt verworpen.