Uitspraak
16.1489 WWB, 16/1581 WWB
mr. I. Plaisier.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin haar aanvragen voor bijzondere en algemene bijstand werden afgewezen. Nadat het college alsnog bijstand en bijzondere bijstand toekende, verklaarde het college de bezwaren niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van belang. De rechtbank verklaarde de beroepen eveneens niet-ontvankelijk, maar kende appellante een proceskostenvergoeding toe van € 248,- voor de kosten in beroep.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard vanwege het ontbreken van hoor en wederhoor. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de toegewezen proceskostenvergoeding juist was berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat de zaak als licht moest worden aangemerkt met een wegingsfactor van 0,5.
Verder stelde de Raad vast dat het ontbreken van hoor en wederhoor in de bezwaarfase geen feitelijke betekenis meer had, omdat appellante geen belang meer had bij de behandeling van het bezwaar. Ook werd bevestigd dat samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd voor de proceskostenvergoeding, waardoor geen extra vergoeding werd toegekend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraken van de rechtbank Rotterdam en wees de beroepen af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst de hoger beroepen af.