ECLI:NL:CRVB:2013:CA1420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij terugvordering bijstand
Appellant ontving vanaf 14 december 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Later werd vastgesteld dat hij vanaf 2 oktober 2007 recht had op een WW-uitkering, die hoger was dan de bijstand. Het college beëindigde daarop de bijstand en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 14 december 2007 tot 31 mei 2009.
Appellant stelde bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de bijstand, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat appellant met het beroep geen resultaat kon bereiken dat voor hem feitelijk betekenis had.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het louter principiële belang van appellant onvoldoende is voor procesbelang en dat hij zijn beroepsgrond over de terugvordering van bijstand had moeten aanvoeren tegen het terugvorderingsbesluit, waartegen geen rechtsmiddel was ingesteld. Het beroep wordt daarom verworpen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.