ECLI:NL:CRVB:2017:3317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens verzwegen gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorgaspecten
Appellant diende op 10 september 2015 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij hij aangaf inwonend te zijn bij [X]. De gemeente Amsterdam stelde een onderzoek in naar zijn woon- en leefsituatie, inclusief een huisbezoek en een verklaring van appellant. Op basis hiervan concludeerde het college dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [X], en wees de aanvraag af.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat onvoldoende sprake is van wederzijdse zorg en dat de rechtbank belangrijke objectieve aspecten niet had meegewogen, zoals het ontbreken van financiële verstrengeling en gezamenlijke belastingaangifte. Tevens stelde hij dat samen eten een sociale activiteit is en geen zorg.
De Raad oordeelde dat het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf was voldaan en dat de verklaring van appellant voldoende elementen bevatte om wederzijdse zorg aan te nemen, waaronder gezamenlijke huishoudelijke taken en gedeelde voorzieningen. Het ontbreken van financiële verstrengeling doet hieraan niet af. De Raad verwierp het beroep op afstemming op grond van artikel 18 PW Pro wegens het ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [X] en wijst het hoger beroep af.