ECLI:NL:CRVB:2012:BW5986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens woningdelerskorting ondanks hulpbehoevende inwonende zoon
Appellanten ontvingen bijstand volgens de gehuwdennorm tot 1 augustus 2007. Het college verlaagde de bijstand met ingang van die datum met 10%, omdat zij de kosten konden delen met hun inwonende meerderjarige verdienende zoon. Appellanten verzochten om herziening, maar dit werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het eerdere besluit onherroepelijk was en dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd die herziening konden rechtvaardigen. De Raad oordeelde dat de inwonende zoon met zijn inkomen kon bijdragen aan de kosten, waardoor sprake was van schaalvoordelen die een verlaging van de bijstand rechtvaardigen.
Appellanten voerden aan dat het college onvoldoende rekening hield met hun individuele omstandigheden en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat in een vergelijkbare zaak geen korting werd toegepast. De Raad verwierp deze argumenten, verwijzend naar vaste rechtspraak dat afwijking van de norm slechts in zeer bijzondere gevallen mogelijk is en dat het gelijkheidsbeginsel niet vereist dat beoordelingsfouten worden herhaald.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 10% wegens woningdelerskorting wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.