ECLI:NL:CRVB:2017:3383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- J.T.H. Zimmerman
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Herziening boete en intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand vanaf 2 juli 2014 en werd beschuldigd van het niet wonen op het uitkeringsadres gedurende de periode 2 juli 2014 tot en met 30 november 2014. Na een onderzoek met waarnemingen, huisbezoek en verklaringen concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en trok de bijstand in, vorderde de kosten terug en legde een boete op.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de boete ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad bevestigde dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde, gelet op verklaringen, waarnemingen en het ontbreken van persoonlijke spullen in de woning. De schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigde intrekking en terugvordering.
Ten aanzien van de boete oordeelde de Raad dat sprake was van gewone verwijtbaarheid, maar matigde de boete vanwege de financiële situatie van appellant. De boete werd vastgesteld op € 1.183,82, lager dan het oorspronkelijke bedrag. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit over de boete vernietigd en het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De boete wegens niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres wordt gematigd tot € 1.183,82, intrekking en terugvordering van bijstand blijven gehandhaafd.