Uitspraak
mr. M.W.L. Clemens.
OVERWEGINGEN
11 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 mei 2015 ten grondslag.
8 mei 2015 overtuigend onderbouwd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig machine bankwerker, meldde zich meerdere malen ziek met rug- en psychische klachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV stelde vast dat hij per 6 maart 2015 geen recht meer had op een Ziektewet-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor functies als magazijnmedewerker, productiemedewerker en parkeercontroleur.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank vond geen aanleiding om een deskundige te benoemen, mede omdat appellant geen medische stukken overlegd had waaruit een toename van klachten bleek. De diagnose spondylartropathie was recent vastgesteld en niet doorslaggevend voor de arbeidsbeperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan de medische informatie van zijn reumatoloog en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom appellant geschikt was voor de functies. Er was geen sprake van belemmering in de procesvoering en de medische beoordeling was overtuigend.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 oktober 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering per 6 maart 2015.