Uitspraak
OVERWEGINGEN
- bevestigt aangevallen uitspraken 1 en 2;
- bevestigt aangevallen uitspraak 3 voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich in februari 2011 ziek. Na beëindiging van haar dienstverband stelde het UWV vast dat zij vanaf februari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde meerdere keren arbeidsongeschiktheid aan, maar het UWV handhaafde haar geschiktheid voor functies als productiemedewerker en inpakker.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellante tegen de besluiten van het UWV ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordelingen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar pijnklachten onvoldoende waren meegewogen en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige, mede vanwege financiële beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te onderbouwen en dat de beperkingen niet waren onderschat. De Raad volgde de rechtbanken in hun oordeel dat de functies passend waren en dat inschakeling van een deskundige niet noodzakelijk was.
De bestreden besluiten berusten op een deugdelijke medische grondslag en de aangevallen uitspraken worden bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.