Uitspraak
PROCESVERLOOP
Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2016 (16/2128), bekend onder registernummer 16/6052 WIA. Op 20 augustus 2017 heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin zijn beroep tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen ongegrond werd verklaard. Verzoeker stelde dat hij niet volledig arbeidsongeschikt was ingeschat en verwees naar een latere medische keuring die zijn ongeschiktheid bevestigde.
In het hoger beroep werd een onafhankelijk verzekeringsarts ingeschakeld voor advies, maar verzoeker weigerde hieraan mee te werken en vroeg om een spoedige uitspraak zonder nader onderzoek. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Awb een voorlopige voorziening kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, maar dat in deze zaak geen zwaarwegend belang was gebleken dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De Raad heeft partijen geïnformeerd dat het onderzoek in de hoofdzaak is gesloten en de uitspraak gepland staat op 25 oktober 2017. Omdat verzoeker geen noodzaak tot spoed aannam en het UWV ook geen nadere zitting wenste, werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen zwaarwegend belang is gebleken om de uitspraak in de hoofdzaak niet af te wachten.