Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
12 december 1986, nummer 7919. In zijn uitspraken van 7 april 1995, JB 1995/124 en
19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4574 heeft de Raad deze gedragslijn geaccordeerd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn AOW-pensioen ingangsdatum door de Sociale Verzekeringsbank (Svb), omdat hij stelt geboren te zijn op 1 januari 1950 in plaats van de door de Svb gehanteerde fictieve geboortedatum 1 juli 1950. De Svb kende het pensioen toe met ingang van oktober 2015, terwijl appellant aanspraak maakte op een eerdere ingangsdatum van 1 januari 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de werkwijze van de Svb om bij ontbreken van een exacte geboortedatum binnen het Suwinet-systeem uit te gaan van 1 juli van het geboortejaar als fictieve datum. Deze praktijk is gebaseerd op een circulaire uit 1986 en bevestigd in eerdere uitspraken van de Raad.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, onder verwijzing naar een vonnis van een buitenlandse rechtbank. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit vonnis niet ondersteund wordt door authentieke, controleerbare documenten uit Marokko en dat de Svb daarom terecht de fictieve geboortedatum heeft gehanteerd.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ingangsdatum van het AOW-pensioen terecht is vastgesteld op basis van de fictieve geboortedatum 1 juli 1950.