Uitspraak
OVERWEGINGEN
7 oktober 2013 en zijn mogelijke aanspraken op een IVA-uitkering. Appellant heeft daarna zijn beroep in die procedure ingetrokken.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig lasser, meldde zich ziek met longklachten en ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde zijn arbeidsongeschiktheid vast op 35 tot 45%, later verhoogd naar 45 tot 55% na bezwaar. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen groter waren en dat het Protocol COPD niet was gevolgd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep onderzocht de medische rapporten, waaronder longfunctieonderzoeken en verzekeringsgeneeskundige beoordelingen. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig alle informatie had meegewogen en dat er geen sprake was van een structurele verslechtering van de longfunctie sinds december 2012.
Verder oordeelde de Raad dat het Protocol COPD wel degelijk in de beoordeling was betrokken, ondanks dat dit niet expliciet in de rapporten stond. De Raad vond geen aanleiding om de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid te wijzigen en bevestigde het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 45 tot 55%.