ECLI:NL:CRVB:2017:3587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-loonaanvullingsuitkering op basis van juiste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellant, werkzaam als material handler warehouse, meldde zich ziek in december 2011 vanwege fysieke klachten. Het UWV stelde in juli 2014 vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Later werd de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van augustus 2015 vastgesteld op 47,60% met voortzetting van de loonaanvullingsuitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, mede vanwege zijn psychiatrische behandelingen en erfelijke belasting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juiste inschatting van de beperkingen bevatte.
In hoger beroep betoogde appellant dat de psychische gesteldheid niet adequaat was meegenomen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Het UWV had de beperkingen, inclusief psychische klachten zoals PTSS, deugdelijk gemotiveerd in de FML opgenomen. Er was geen bewijs dat meer beperkingen noodzakelijk waren en de geselecteerde functies waren passend.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-loonaanvullingsuitkering terecht is vastgesteld op een arbeidsongeschiktheid van 47,60%.