Uitspraak
2 oktober 2015, 15/6 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
€ 1.260,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees de aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af en handhaafde dit besluit bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening, en legde een dwangsom op wegens niet tijdig beslissen.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een VBL als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, waarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo vervalt. Het hoger beroep van het college slaagde, terwijl het beroep van betrokkene ongegrond werd verklaard. De Raad bevestigde de toekenning van de dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van 13 mei 2014.
De uitspraak benadrukt dat een vreemdeling in een VBL opvang kan krijgen die voldoet aan internationale verplichtingen en dat daarmee de Wmo-opvang niet noodzakelijk is. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrof het toekennen van maatschappelijke opvang onder de Wmo en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het recht op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo betreft.