Uitspraak
16.5396 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet vanaf 24 maart 2014. Het college trok deze bijstand met ingang van die datum in, omdat appellant werkzaamheden had verricht zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Tegen het intrekkingsbesluit is geen beroep ingesteld, waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar werd.
Vervolgens vorderde het college de onterecht ontvangen bijstandskosten terug over de periode van 24 maart 2014 tot en met 30 april 2015. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond, omdat het intrekkingsbesluit niet meer ter discussie stond en het college verplicht was terug te vorderen, tenzij er dringende redenen waren om hiervan af te zien.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de intrekking ten onrechte niet ter discussie werd gesteld en dat er wel dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, vanwege hun financiële situatie. De Raad oordeelde echter dat het intrekkingsbesluit onaantastbaar is en dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat er dringende redenen zijn. Daarbij werd meegewogen dat zij beschermd zijn door de regels over de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten en wijst het hoger beroep af.