Uitspraak
2 oktober 2015, 14/8433 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering tot opvang in een Vluchthaven. Het college wees de aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af en legde een dwangsom op wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het college verplicht tot opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een VBL als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, waarmee de noodzaak van Wmo-opvang vervalt. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
De Raad vond geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en bevestigde dat de opvang in een VBL voldoet aan de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.