Uitspraak
Mr. D.A.B. ten Hulsen, werkzaam bij DAS-rechtsbijstand, heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld en informatie van de anesthesioloog-pijnspecialist en de huisarts aan de Raad gezonden.
OVERWEGINGEN
13 mei 2013.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, meldde zich in 2007 arbeidsongeschikt met de diagnose fibromyalgie en andere aandoeningen. Het UWV stelde in 2009 een arbeidsongeschiktheid van 59% vast en in 2011 een WGA-vervolguitkering toe met een mate van 55-65%. In 2013 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid, maar het UWV besloot dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel in 2015. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, met name dat zij niet langer dan een half uur kon zitten en moeite had met lopen.
De Raad benoemde een verzekeringsarts die een aanvullend onderzoek verrichtte en concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor een verslechtering van de medische situatie per 13 mei 2013. De beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst bleven passend. De Raad volgde dit deskundigenrapport en bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd is gebleven, waardoor de WGA-vervolguitkering ongewijzigd blijft.