Uitspraak
9 oktober 2015, 15/3775 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, maakte bezwaar tegen de weigering tot opvang in de Vluchthaven te Amsterdam. Het college wees de aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo af, wat door de rechtbank werd vernietigd en betrokkene recht gaf op opvang.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere rechtspraak waarin is vastgesteld dat VBL-opvang voldoende invulling geeft aan de positieve verplichting uit het internationaal recht.
Het beroep van betrokkene tegen het niet toekennen van dwangsommen werd verworpen omdat hij hiertegen niet in hoger beroep kon opkomen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het college in het gelijk werd gesteld.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bevestigd.