ECLI:NL:CRVB:2017:371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand ondanks schending hoorplicht; vergoeding proceskosten
Appellant ontving bijstand tot november 2012 en stond ingeschreven op een adres waar hij een kamer huurde van R, die eveneens bijstand ontving. Het college trok de bijstand van R in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant, waarna ook de bijstand van appellant werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode vanaf maart 2011. Appellant stelde dat het college in de bezwaarprocedure de hoorplicht had geschonden, waardoor hij onvoldoende gelegenheid had zijn bezwaren toe te lichten.
De Raad overwoog dat het college niet voldeed aan de hoorplicht zoals voorgeschreven in artikel 7:2 Awb Pro, omdat appellant niet uitdrukkelijk afstand had gedaan van het recht om te worden gehoord en het college zelf onduidelijkheid had gecreëerd over de mogelijkheid tot een hoorzitting. Desondanks werd het gebrek gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat appellant in beroep en hoger beroep wel zijn standpunten had kunnen toelichten en daardoor niet was benadeeld.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond had verklaard en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief het betaalde griffierecht. Hiermee werd het bestreden besluit gehandhaafd ondanks de procedurele tekortkoming.
Uitkomst: Bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd ondanks schending hoorplicht; college veroordeeld tot vergoeding proceskosten.