Uitspraak
13 juli 2017 om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker betwistte de eindafrekening bestuursrechtelijke premie over de periode 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2014, waarbij een bedrag van €1.366,26 verschuldigd werd gesteld door het CAK. Hij voerde principiële bezwaren aan tegen het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel, waaronder de bevoegdheid van het CAK om premies te heffen en zorgverzekeringen af te sluiten, en stelde dat hij niet verplicht was een zorgverzekering te hebben vanwege het ontbreken van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de discussie over de verplichting tot het afsluiten van een zorgverzekering niet in deze procedure kan worden gevoerd, omdat het bestreden besluit alleen ziet op de eindafrekening van de bestuursrechtelijke premie. Verzoeker bracht geen gronden aan die tot vernietiging van de uitspraak konden leiden. Tevens werd bevestigd dat de verplichting tot het afsluiten van een zorgverzekering niet in strijd is met nationaal of internationaal recht, zoals eerder vastgesteld in eerdere uitspraken van de Raad.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en deed tevens onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de eindafrekening en de bevoegdheid van het CAK in deze context.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de eindafrekening bestuursrechtelijke premie wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.