Appellant werd door het Zorginstituut een boete van €343,74 opgelegd wegens het niet afsluiten van een verplichte zorgverzekering binnen de gestelde termijn. Deze boete werd door de rechtbank gehandhaafd, maar appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij vrijwel geen financiële draagkracht heeft en de boete daarom te hoog is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel het opleggen van een boete noodzakelijk is vanwege het belang van de volksgezondheid en de prikkel tot verzekering, de boete in dit geval te hoog is gezien de bijzondere omstandigheden van appellant. Uit eerdere procedures bleek dat appellant een uitzonderlijk laag inkomen heeft en geen vermogen, wat door hem bevestigd werd.
De Raad stelde vast dat het Zorginstituut onvoldoende onderzoek had gedaan naar de draagkracht van appellant en dat het niet relevant is dat appellant niet expliciet om matiging had verzocht. De boete is daarom verlaagd naar €150, een bedrag dat hoger is dan het voordeel dat appellant behaalt door geen premie te betalen, maar rekening houdt met zijn financiële situatie.
Daarnaast wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde het Zorginstituut in de proceskosten van appellant. Het griffierecht werd aan appellant vergoed. De uitspraak vervangt het vernietigde deel van het eerdere besluit betreffende de hoogte van de boete.