ECLI:NL:CRVB:2017:3784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor geselecteerde functies
Appellante, voormalig medewerkster thuiszorg, meldde zich in 2011 ziek met hartklachten. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij een WIA-uitkering die in 2013 werd beëindigd. Vervolgens ontving zij een Ziektewet-uitkering die in 2014 werd beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. In 2015 meldde zij zich opnieuw ziek, waarna het UWV haar geschikt achtte voor functies als productiemedewerker, inpakker en besteller, en haar Ziektewet-uitkering beëindigde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat, dat het UWV onvoldoende medische informatie had ingewonnen en dat zij ongeschikt was voor de geselecteerde functies. De Raad overwoog dat het UWV conform de wet en vaste jurisprudentie mocht uitgaan van gangbare arbeid na 52 weken ziekte en dat de EZWb correct was uitgevoerd. De medische gegevens waren voldoende en de beperkingen waren adequaat beoordeeld.
De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om het besluit te vernietigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.