Werkneemster was sinds 23 november 2012 arbeidsongeschikt door ernstige somatische aandoeningen en depressieve klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe, maar weigerde een IVA-uitkering per 21 november 2014, omdat herstelkansen werden verwacht na een geplande gynaecologische ingreep.
Appellante betwistte dit en stelde dat de arbeidsongeschiktheid duurzaam en volledig was vanwege meerdere ernstige chronische aandoeningen, waaronder hiv, chronische leukemie en cervixcarcinoom, en dat de geplande operatie uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat verbetering mogelijk was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders: de verzekeringsartsen hebben geen concrete en deugdelijke afweging gemaakt van de feiten en omstandigheden, met name ten aanzien van de invloed van de andere ernstige aandoeningen op de belastbaarheid. De medische gegevens tonen een chronisch ziektebeeld zonder wezenlijke verbetering na mei 2015. Het besluit van het UWV is daarom onvoldoende gemotiveerd en wordt vernietigd.
De Raad bepaalt dat werkneemster met ingang van 21 november 2014 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.