ECLI:NL:CRVB:2017:3806
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs
Appellante, geboren in 1940, verzocht in augustus 2015 om toekenning van een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet voldoende was aangetoond dat appellante in omstandigheden had verkeerd die onder de AOR vallen.
In het beroep stelde appellante dat zij tijdens de Bersiap-periode in Nederlands-Indië angstige en gespannen situaties had meegemaakt, waaronder het bekogeld worden met stenen en andere ongeregeldheden. De Raad oordeelde echter dat deze gebeurtenissen niet persoonlijk en objectief waren bevestigd en dat het relaas van appellante en een verklaring van een derde, die haar pas later kende, onvoldoende bewijs vormden.
De Raad concludeerde dat appellante niet als slachtoffer van oorlogsgeweld in de zin van de AOR kan worden aangemerkt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij onder de AOR valt.