ECLI:NL:CRVB:2017:3859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand als alleenstaande wegens gezamenlijke huishouding
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze af op grond van het feit dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon. De afdeling handhaving van de Dienst Werk en Inkomen voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek, waaruit bleek dat appellant en de ander wederzijds zorg aan elkaar verleenden.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen het afwijzingsbesluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat appellant en de ander hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en blijk gaven van wederzijdse zorg, zoals het delen van levensmiddelen, het gebruik van elkaars wasmachine en het samen koken.
De Raad verwierp het standpunt van appellant dat sprake was van een zuiver commerciële huurrelatie zonder zorgverlening. De conclusie was dat appellant geen zelfstandig subject van bijstand kon zijn. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor bijstand als alleenstaande wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.