Uitspraak
OVERWEGINGEN
23 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 september 2014 ten grondslag.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich in januari 2011 ziek meldde wegens knieklachten en later een hersenbloeding kreeg. Het UWV stelde vast dat zij vanaf januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht meer had op een WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding in februari 2014 ontving zij ziekengeld op grond van de Ziektewet.
Het UWV besloot in juli 2014 dat appellante geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij geschikt werd geacht voor verschillende functies. Dit besluit werd bij bezwaar en vervolgens bij de rechtbank bevestigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij cognitieve beperkingen en angstklachten had als gevolg van de hersenbloeding.
De Raad liet een onafhankelijk rapport opstellen door psychiater Mutsaers, die bevestigde dat appellante cognitieve functiestoornissen had en meer beperkingen dan het UWV had aangenomen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep vertaalde deze beperkingen naar een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante met deze FML geschikt was voor de eerder genoemde functies.
Appellante betwistte de uitkomsten van het rapport en de nieuwe beoordeling niet inhoudelijk. De Raad vond de motivering van het rapport en de vertaling naar de FML overtuigend en consistent. Daarom werd het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld per 31 juli 2014 bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld per 31 juli 2014 wordt bevestigd.