ECLI:NL:CRVB:2017:3891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsnorm naar 50% gehuwdennorm zonder individuele afstemming
Appellante ontvangt sinds 2012 bijstand en woonde samen met een niet-rechthebbende partner. Het college verlaagde haar bijstandsnorm per 1 juli 2016 naar 50% van de gehuwdennorm op grond van de gewijzigde Participatiewet. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond, stellende dat geen zeer bijzondere omstandigheden waren aangetoond die een individuele afstemming rechtvaardigen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door de verlaging in financiële problemen kwam en haar gezinsleven zou moeten beëindigen. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende met concrete gegevens waren onderbouwd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Ook werd geoordeeld dat er geen ontoelaatbare inbreuk op het recht op respect voor het gezinsleven was.
De Raad concludeerde dat de verlaging van de bijstandsnorm rechtmatig is en dat appellante geen recht heeft op een hogere uitkering of individuele afstemming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsnorm naar 50% van de gehuwdennorm wordt bevestigd zonder individuele afstemming.