Uitspraak
mr. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft sinds augustus 2002 een WAO-uitkering ontvangen, die in 2006 werd beëindigd omdat hij geacht werd arbeid te kunnen verrichten. Na een verzoek in 2014 om herziening van de uitkering, werd dit afgewezen. In bezwaar werd appellant medisch en arbeidskundig onderzocht, waarbij beperkingen werden vastgesteld die een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% rechtvaardigen. Het bezwaar werd gegrond verklaard en de uitkering toegekend met ingang van 6 juli 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, oordelend dat het onderzoek zorgvuldig was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen of de geschiktheid van de geselecteerde functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn visusklachten onvoldoende waren erkend en dat de geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn vanwege oogbelasting en fysieke belasting.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en goed gemotiveerd is uitgevoerd, waarbij alle relevante medische informatie is betrokken. De Raad ziet geen aanwijzingen dat de beperkingen op de Functionele Mogelijkhedenlijst onjuist zijn vastgesteld. De arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de functies adequaat toegelicht, ook met betrekking tot visusklachten en fysieke belasting. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.