Uitspraak
OVERWEGINGEN
2 april 2014, dat is opgesteld in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB).
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig administratief medewerkster, viel in 2009 uit wegens een gegeneraliseerde angststoornis. Het UWV stelde in 2011 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. In 2014 vroeg zij opnieuw een WIA-uitkering aan, waarbij medisch onderzoek geen toename van haar beperkingen vaststelde. Het UWV handhaafde het eerdere besluit en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische bevindingen geen aanwijzingen gaven voor een toegenomen arbeidsongeschiktheid. Ook het sociaal medisch advies in het kader van de WWB overtuigde de rechtbank niet vanwege het ontbreken van een expliciete medische onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en vroeg zij om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat de aangevoerde medische gronden reeds waren beoordeeld en verworpen, dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen sinds 2011, en dat het verzoek om een deskundige werd afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen.