ECLI:NL:CRVB:2017:3985
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek op grond van Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1943, diende in mei 2006 een aanvraag in bij de Pensioen- en Uitkeringsraad voor toekenning op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat onvoldoende bevestiging was verkregen dat appellant beschietingen in Lawang tijdens de Bersiap-periode had meegemaakt. In oktober 2015 verzocht appellant opnieuw om toekenning, met nieuwe verklaringen ter ondersteuning, maar ook dit verzoek werd afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep toetste het herzieningsverzoek met terughoudendheid, waarbij centraal stond of appellant nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen die bij verweerder niet bekend waren en die aanleiding zouden moeten geven tot herziening. Hoewel nieuwe verklaringen werden overgelegd, waaronder een verklaring van mevrouw A, ontbrak bevestiging dat appellant persoonlijk betrokken was bij de beschietingen zoals vereist onder de Wubo.
De Raad benadrukte dat persoonlijke betrokkenheid inhoudt dat de betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of overlijden van naasten. Dit was niet aannemelijk gemaakt. Ook het feit dat appellant erkenning kreeg onder de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), die ruimere criteria kent, leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.