ECLI:NL:CRVB:2017:3997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens niet-noodzakelijke verhuizing
Appellant, een bijstandsgerechtigde, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van de inrichting van zijn nieuwe woning na een verhuizing. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was en de kosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die uit eigen middelen betaald moeten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij de noodzaak van de verhuizing niet aannemelijk had gemaakt. Appellant stelde in hoger beroep dat hij noodgedwongen moest verhuizen omdat zijn (onder)verhuurder de kamer moest verlaten, maar onderbouwde deze stelling niet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de kosten zich wel voordeden, maar dat de noodzakelijkheid van de verhuizing niet was aangetoond. Het feit dat appellant na zijn scheiding lange tijd een kamer huurde en zich als woningzoekende inschreef, maakt de verhuizing niet noodzakelijk. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.