Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4081

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2017
Publicatiedatum
24 november 2017
Zaaknummer
16/409 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArt. 89 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief UWV over verlaging WIA-uitkering

Appellante ontvangt sinds 20 mei 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, uitbetaald door het UWV. Op 29 juni 2015 heeft de eigenrisicodrager, Stichting [naam stichting], appellante geïnformeerd over een verlaging van haar uitkering met 20% voor de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2015 wegens het niet naleven van re-integratieverplichtingen.

Het UWV stuurde op 2 juli 2015 een brief waarin het eveneens melding maakte van deze verlaging. Appellante maakte bezwaar tegen de brief van het UWV, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief niet als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt. De eigenrisicodrager was bevoegd de maatregel op te leggen en het UWV voerde deze slechts uit.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam dat de brief van het UWV slechts informatief was en geen besluit vormde. Het besluit tot verlaging van de uitkering is genomen door de eigenrisicodrager, die ook een bezwaarclausule heeft opgenomen. Appellante kan tegen dat besluit rechtsmiddelen aanwenden. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van het UWV is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

16/409 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 december 2015, 15/6156 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is in dienst geweest bij Stichting [naam stichting] ( [naam stichting] ), een eigenrisicodrager in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij ontvangt sinds 20 mei 2013 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, aan haar uitbetaald door het Uwv. Op
2 juli 2015 heeft het Uwv appellante laten weten dat haar uitkering van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2015 met 20% wordt verlaagd, omdat zij zich niet aan haar
re-integratieverplichting heeft gehouden. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 19 augustus 2015 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 2 juli 2015 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. [naam stichting] had appellante, bij brief van 29 juni 2015, immers al laten weten dat haar uitkering verlaagd zou worden. De brief van het Uwv was niet op rechtsgevolg gericht, het was slechts van informatieve aard.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van het Uwv van 2 juli 2015 geen besluit in de zin van de Awb. Wel heeft de rechtbank het bezwaarschrift van appellante doorgezonden aan [naam stichting] om als bezwaarschrift tegen het besluit van 29 juni 2015 in behandeling te nemen.
3. In hoger beroep bestrijdt appellante deze uitspraak onder verwijzing naar wat in bezwaar en beroep is aangevoerd.
4.1.
De aangevallen uitspraak is juist. Op grond van artikel 89, eerste lid, van de Wet WIA was [naam stichting] , als eigenrisicodrager, bevoegd een maatregel op te leggen. De brief van [naam stichting] van 29 juni 2015 moet dan ook als besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Het rechtsgevolg van de verlaging van de uitkering voor twee maanden is ingetreden door dit besluit. Dit besluit van [naam stichting] bevat ook een bezwaarclausule. Dat de brief van het Uwv van
2 juli 2015 eveneens een bezwaarclausule bevat, maakt niet dat deze brief als besluit moet worden aangemerkt. Het Uwv betaalt de uitkering aan appellante en voert de maatregel enkel uit.
4.2.
Het Uwv heeft aan appellante een re-integratietraject aangeboden in 2013, welk traject appellante heeft gevolgd. Omdat appellante in de veronderstelling verkeerde geen functionele relatie meer te hebben met [naam stichting] , maar wel met het Uwv, heeft zij de brieven van [naam stichting] niet aangenomen en er dus ook niet op gereageerd. Ook dit maakt echter niet dat de brief van het Uwv van 2 juli 2015 als besluit in de zin van de Awb aangemerkt moet worden. Het eigen risicodragerschap van [naam stichting] brengt met zich mee dat zij bevoegd is een maatregel op te leggen en niet het Uwv. Ter zitting is gebleken dat [naam stichting] nog geen besluit op bezwaar heeft genomen op het door de rechtbank doorgezonden bezwaarschrift. Appellante kan daartegen rechtsmiddelen aanwenden.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden.
5. Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2017.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) L.H.J. van Haarlem

RH