ECLI:NL:CRVB:2017:4107
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beslissing over aanspraken werkneemster op grond van artikel 43a WAO en Ziektewet-uitkeringen
Werkneemster ontving vanaf 3 december 2003 een WAO-uitkering die in 2007 werd beëindigd. Na diverse ziekmeldingen en herbeoordelingen stelde het UWV vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering per 9 augustus 2010, maar later wel recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 68,98% en uiteindelijk 100%.
Appellante, de werkgever, meldde werkneemster ziek en verzocht het UWV om uitbetaling van Ziektewet-uitkeringen over bepaalde ziekteperiodes. Het UWV wees deze verzoeken af op grond van terugwerkende krachtregels en stelde dat de werkgever onvoldoende had geïnformeerd over de WAO-status van werkneemster. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad vast dat het UWV ten onrechte niet had beslist op het verzoek om een besluit te nemen over aanspraken op grond van artikel 43a van de WAO per 11 augustus 2008. De Raad oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en ontbrak het aan een afdoende motivering. Het UWV wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen, waarbij beroep alleen bij de Raad mogelijk is.
Daarnaast bevestigde de Raad dat de weigering van het UWV om Ziektewet-uitkeringen met terugwerkende kracht toe te kennen tot meer dan één jaar voor de ziekmelding correct was, en dat de vaststelling van de WGA-uitkering en arbeidsongeschiktheid juist was. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de aanspraken op grond van artikel 43a WAO per 11 augustus 2008.