ECLI:NL:CRVB:2017:4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit arbeidsongeschiktheid en proceskostenvergoeding
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarbij zijn bezwaar tegen de vaststelling van arbeidsongeschiktheid ongegrond werd verklaard. Tijdens de procedure heeft het UWV bij een gewijzigde beslissing op bezwaar het bezwaar alsnog gegrond verklaard en toegekend dat appellant met ingang van 18 oktober 2012 recht heeft op een IVA-uitkering.
De Raad oordeelt dat het gewijzigde besluit het hoger beroep feitelijk overbodig maakt, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Appellant handhaaft weliswaar zijn eerdere bezwaren, maar deze behoeven geen verdere bespreking omdat het UWV met het gewijzigde besluit volledig tegemoet is gekomen aan zijn verzoeken.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant, begroot op € 3.259,82, en kent een schadevergoeding van € 500,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. De Raad benadrukt dat een bestuursrechtelijke procedure in drie instanties in beginsel niet langer dan vier jaar mag duren, terwijl in deze zaak een overschrijding van zes maanden is vastgesteld zonder gegronde rechtvaardiging.
De uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, met H. Achtot als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.