Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin zijn studiefinanciering werd herzien omdat hij als thuiswonende studerende werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het onderzoek naar de woonsituatie van appellant mede was verricht door een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij het aangewezen privaat bedrijf werkzaam was, maar als zelfstandige zonder personeel. Volgens eerdere jurisprudentie is het bewijs van onderzoek door een dergelijke onbevoegde controleur ontoelaatbaar.
Omdat de bevindingen van het onderzoek onrechtmatig waren verkregen en zonder deze bevindingen geen voldoende feitelijke grondslag bestond voor het besluit, was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigde daarom het besluit van 16 maart 2015 en herroept het besluit van 19 december 2014. Tevens veroordeelde de Raad de minister in de proceskosten van appellant.