ECLI:NL:CRVB:2017:4172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving van 2001 tot 2005 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na beëindiging van deze uitkering meldde appellant in 2013 een verslechtering van zijn gezondheid sinds 2009, met toegenomen psychische klachten en restklachten na een auto-ongeval. Het UWV stelde echter vast dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak, en wees de aanvraag af.
In bezwaar en beroep voerde appellant aan dat zijn klachten al sinds augustus 2009 waren toegenomen, onderbouwd met medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat retrospectief niet vast te stellen viel dat er sprake was van een toename van beperkingen ten opzichte van 2005. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de medische informatie onvoldoende was om het eerdere oordeel te wijzigen en dat de late melding van appellant over de verslechtering voor zijn rekening en risico bleef. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Geen recht op WAO-uitkering wegens ontbreken van toegenomen beperkingen.